29/10/2013

Arabische Lente onder druk (deel 1)

Door Bilal Benyaich, Politicoloog verbonden aan de Vakgroep Politieke Wetenschappen van de VUB en auteur van Europa, Israël en de Palestijnen.

Dit stuk verscheen eerder in de februari-editie van tijdschriftSamenleving en Politiek (Sampol 2013/2)

Met de val van de Tunesische en Egyptische dictators twee jaar geleden ontwaakte de Arabische wereld uit zijn winterslaap. In dit essay staan we stil bij de Arabische Lente en de factoren die er aan ten grondslag lagen. Nadien zoomen we in op een aantal belangrijke bedreigingen en vraagtekens op korte en middellange, maar ook lange termijn.

Het einde van de Arabische uitzondering

Ruim twee jaar geleden, op 17 december 2010, stak de Tunesische fruitverkoper Mohamed Bouazizi zichzelf in brand. Hiermee protesteerde hij tegen de inbeslagname van zijn handelswaren door de politie, de zoveelste vernedering op rij. Na de publieke zelfmoord van deze jongeman die geen toekomstperspectief meer zag, zou Tunesië nooit meer hetzelfde zijn. Bouazizi’s wanhoopsdaad zette een reeks van protesten in gang die ook de hoofdstad Tunis bereikten. Nog geen maand later nam de Tunesische dictator Ben Ali de wijk naar Saoudi-Arabië. De Jasmijnrevolutie was een feit.

Ondertussen hadden de manifestaties zich als een lopend vuurtje over de regio verspreid. In de eerste maanden van het jaar 2011 vonden massamanifestaties plaats in Algerije, Bahrain, Egypte, Irak, Jordanië, Koeweit, Libanon, Libië, Marokko, Oman, Saoedi-Arabië, Syrië, Sudan, de Verenigde Arabische Emiraten, Yemen, … Wat de betogingen gemeen hadden, was het onderwerp van ongenoegen. Stijgende voedselprijzen, werkloosheid, corruptie en een gebrek aan inspraak bracht steeds meer mensen op straat. De manifestanten riepen leuzen voor sociale rechtvaardigheid en vrijheid. In landen waar de betogingen met harde hand de kop werden ingedrukt, werd al gauw de val van het regime geëist, met wisselend resultaat.

Nochtans was het inzicht van een vorm van ‘Arabisch exceptionalisme’ lange tijd levendig.[i] Dit discours werd gecultiveerd door een aantal oriëntalisten – waarvan Bernard Lewis (Princeton University) de bekendste is – en neoconservatieve ideologen. Hun vertoog – dat ook in onze contreien floreerde – hield in dat Arabieren passief en apolitiek zouden zijn. Door ‘hun cultuur’ zouden ze overgeleverd zijn aan de grillen van hun dictators, heette het. Quod non. Jonge Arabische betogers, van Tunis tot Manama, hebben in ware Intifada-stijl vakkundig afgerekend met dit slag van, ja, quasi-racistische prietpraat.

Het klopt natuurlijk wel dat de afgelopen decennia opeenvolgende democratiseringsgolven aan de Arabische wereld zijn voorbijgegaan. Het pad van de meeste Arabische landen is dat van dekolonisatie naar autocratie geweest. En het volk leek zich erbij neergelegd te hebben. Naar aanleiding van de ‘Groene Revolutie’ in Iran midden 2009 schreef de Palestijns-Libanese academicus en journalist, Rami Khoury, een stuk waarin hij het uitblijven van opstanden in de Arabische landen aan de tanende legitimiteit van de Arabische staat as such toescheef. De reactie van Arabische bevolkingen op overheidsfalen was eerder het uitbouwen en onderhouden van parallele structuren die functies ervan overnemen – zij het sociaal (bijvoorbeeld de Moslimbroederschap), zij het militair (bijvoorbeeld Hezbollah) – aldus Khoury.[ii] Anderhalf jaar later ontwaakten de Arabieren in ieder geval uit hun winterslaap. De Lente was aangebroken. Er werd gerevolteerd en dit niet dankzij maar ondanks de parallelle, vaak islamistische structuren.

In het jaar 2011 kwam er een abrupt einde aan het decennialange bewind van Ben Ali van Tunesië, Mubarak van Egypte, Saleh van Jemen en Khadafi van Libië. De kans dat Al-Assad van Syrië dit jaar de volgende in lijn zal zijn, wordt met de dag groter. Maar ‘revoluties’ eindigen niet bij de val van de dictator. Ze eindigen pas wanneer een overgangsproces uitmondt in een nieuw politiek en maatschappelijk weefsel. En dat vergt nu eenmaal tijd.

Er zijn ook landen die geen revolutie maar wel een evolutie gekend hebben. Marokko is hier een goed voorbeeld van. Het zag er even naar uit dat de 20 Februari Beweging het de Marokkaanse koning Mohamed VI knap lastig zou maken. Het koningshuis toonde echter blijk van tactisch vernuft, wat het volk vooralsnog op andere gedachten bracht. De grondwet werd herzien – de macht van de monarch werd enigszins ingeperkt – en verkiezingen brachten in 2011 de (koningsgezinde) islamisten van de Parti de la Justice et du développement (PJD) aan de macht. Saoedi-Arabië daarentegen wilde van hervormingen die naam waardig niet horen. Het antwoord van het Huis van Saoed op de protesten (die in eerste instantie uit de hoek van de sji’ietische minderheid kwamen) was een combinatie van repressie en zoethouderpolitiek. Om het volk te paaien werd een slordige honderd miljard dollar over het land uitgestrooid ter investering in tewerkstelling en huisvesting.

It’s the demography…

Stellen dat de zelfmoord van Bouazizi heeft geleid tot de omverwerping van het Tunesische regime begin 2011 zou wel simplistisch zijn. Gebeurtenissen als deze vallen wel vaak samen met een verschuiving van maatschappelijke tektonische platen. Ze hebben een signaalfunctie.

Bouazizi was trouwens niet de eerste die zichzelf in brand stak en zich van het leven beroofde als protest tegen de harde levensomstandigheden. Wat suïcide betreft heeft er de laatste tien jaar een onrustwekkende evolutie plaatsgevonden in de Maghreb. Een aanzienlijk aantal ‘diplomés chomeurs’ hebben het leven gelaten door zichzelf in brand te steken of door hongerstakingen. Zelfmoord als protestvorm is nochtans vreemd aan de lokale tradities en culturen. Bovendien is het een praktijk die verboden is door de islam. Deze dramatische maatschappelijke evolutie is duidelijk een graadmeter voor de sociale malaise in heel wat Arabische samenlevingen.[iii]

Demografie is een van de belangrijkste factoren die aan de grondslag liggen van de Arabische Lente. Hoewel het geboortecijfer in de meeste Arabische landen gedaald is ten opzichte van de jaren 1970 en 1980 zal de bevolking het komende decennium blijven toenemen. Belangrijker nog dan de bevolkingstoename in absolute cijfers is de samenstelling ervan. Cijfers van de Verenigde Naties tonen aan dat meer dan de helft van de bevolking in de Arabische wereld jonger is dan 25 jaar en dat maar liefst één op vijf personen tussen 15 en 25 jaar oud is.

In de nasleep van 9/11 wees de Amerikaanse journalist en auteur, Fareed Zakaria, op de band tussen de fenomenale jongerenaanwas in de Arabische wereld en toenemend protest in de vorm van islamisering.[iv] Zijn vroegere leermeester, de politicoloog Samuel Huntington, had jaren voordien al gewezen op de band tussen demografie en politiek geweld in de islamitische wereld. In The Clash of Civilizations and the remaking of the World Order (1997) schreef Huntington niet alleen maar discutabele zaken. Aan de hand van projecties toonde hij aan hoe in de islamitische landen het aantal personen in de leeftijdscategorie 15-24 jaar vanaf de jaren 1980 zo’n 20 procent van de bevolking begon uit te maken – wat vaak een kritische grens is gebleken. Huntington voorspelde protest, instabiliteit, hervormingen en revolutie als gevolg van de combinatie van een sterke jongerenaanwas en urbanisering.

Ondertussen weten we dat het aantal personen in de leeftijdscategorie 15-29 jaar sinds 1990 met 50% toegenomen is in Libië en Tunesië, met 65% in Egypte en met 125% in Jemen.[v] Demografische groei lag trouwens ook aan de basis lag van de revolutionaire golfbewegingen van de 17de en 18de eeuw – van de protestantse Reformatie tot de Franse Revolutie – en van de Iraanse Revolutie van eind jaren 1970. Telkens bleek een zogenaamde ‘youth bulge’ een catalysator te zijn.[vi]

… and the economy, stupid!

Het grote probleem in de Arabische wereld zit nu net in de combinatie van een bevolking waarvan meer dan de helft jonger is dan 25 jaar met de hoogste jongerenwerkloosheidsgraad in de wereld. De Arabische wereld kent een ontploffende jonge bevolking, die in toenemende mate geschoold is, maar die na de studies enkel de werkloosheid heeft gekend. En laat nu net onderwijs en werk de variabelen zijn die het verband tussen demografie en geweld kunnen afzwakken…

De meeste Arabische landen worden gekenmerkt door een waslijst van structurele deficits. Het gaat dan over ronduit slecht fiscaal beleid, hardnekkige en wijdverbreide corruptie, een falende klassenjustitie, een zwak publiek onderwijsnet, een chronisch gebrek aan bestuurlijke vertegenwoordiging en transparantie, afnemende subsidies voor basisgoederen, slinkende budgetten voor sociaal beleid en de afbouw van publieke tewerkstellingsprogramma’s (mede door de implementatie van van buitenaf gepromote aanpassingsprogramma’s en actieplannen), ongelijkheid die hoge toppen scheert en ook niet afneemt in perioden van economische groei, een patrimoniaal systeem dat een kleine, kleptocratische minderheid in staat blijft stellen om een belangrijk deel van de welvaart af te romen en ga zo maar door.

Nieuwe sociale bewegingen sinds het vorige decennium

Uiteindelijk hebben hardnekkige onevenwichten van demografische, economische en politieke aard de fundamenten ondermijnd waarop de gevallen regimes waren gebouwd. Het protest is trouwens ook niet begonnen in Sidi Bouzid, de stad van Mohamed Bouazizi, maar met sociale bewegingen die vanaf midden jaren 2000 steeds actiever werden en hoe langer hoe meer de autocraten in vraag durfden te stellen.

Tijdens het vorige decennium namen lokale protesten tegen de stijging van de levensduurte, slechte arbeidsomstandigheden en toenemende werkloosheid toe in Marokko, Tunesië, Algerije en Egypte. In Egypte organiseerden vanaf 2004 heel wat jonge Egyptenaren zich in de protestbeweging Kefaya (Genoeg) die wantoestanden allerhande aan de kaak stelde. In 2008 zag een andere beweging het licht in Egypte. De 6 April Beweging formuleerde economische en politieke eisen. Een nieuwe generatie geschoolde jongeren ijverde voor een einde aan de corruptie en voor burgerlijke, politieke en economische rechten.

Mede dankzij handig gebruik van het internet – blogs, videokanalen (YouTube en DailyMotion) en sociale media (Twitter en Facebook) – en mobiele telefonie kregen ze hun boodschap, ondanks online censuur, steeds meer verspreid. Mondiale tv-zenders zoals Al Jazeera en CNN pikten steeds meer van deze berichten en beelden op. Onderzoek heeft aangetoond dat sociale media zoals Facebook en Twitter belangrijke facilitatoren waren voor de opstanden. Op basis van dataonderzoek werden verbanden gevonden tussen de intensiteit van gebruik van sociale media en evenementen op het terrein.[vii]

 


[i] Voor een uitgebreide analyse van het zogenaamde ‘Arab exceptionalism’, oftewel ‘Middle Eastern exceptionalism’,  zie: Aarts P. e.a., From Resilience to Revolt. Making sense of the Arab spring, University of Amsterdam, 2012, 117 p.

[ii] Khoury R., Why Do Arabs Not Revolt, 29 juni 2009. Te vinden op: www.agenceglobal.com.

[iii] Voor meer informatie over zelfmoord in Marokko, zie: Vermeren P., Le Maroc de Mohamed VI. La transition inachevée, Editions La Découverte, Parijs, 2009, pp. 249-253.

[iv] Zakaria F., The Politics of Rage: Why Do They Hate Us?, 15 oktober 2001, Newsweek Magazine.

[v] Goldstone J., Understanding the Revolutions of 2011. Weakness and Resilience in Middle Eastern AutocraciesForeign Affairs, mei-juni 2011, vol. 90, n°3, 8 p.

[vi] Goldstone J., Revolution and Rebellion in the Early Modern World,  University of California Press, 1991, 608 p.

[vii] Howar P.  e.a., Opening closed regimes. What was the role of social media during the Arab Spring?, Working Paper 2011.1, Project on Information Technology & Political Islam., 30 p. www.pITPI.org.