29/10/2013

Arabische Lente onder druk (deel 2)

Door Bilal Benyaich, Politicoloog verbonden aan de Vakgroep Politieke Wetenschappen van de VUB en auteur van Europa, Israël en de Palestijnen.

Dit stuk verscheen eerder in de februari-editie van tijdschriftSamenleving en Politiek (Sampol 2013/2)

Over revoluties en democratisering

Waarom zijn de dictators van Tunesië, Egypte, Jemen en Libië wel hun einde tegemoet getreden maar is het verhoopte domino-effect niet gerealiseerd? Dat heeft te maken met een aantal voorwaarden die gelijktijdig vervuld moeten worden vooraleer een opstand kan uitmonden in een revolutie. Ten eerste moet de bevolking de regering als een echt gevaar voor de toekomst van het land ervaren. Verder moeten de belangen van de (militaire) elite afwijken van die van het regime. Ten derde moet een meerderheid van de bevolking – over sociale klassen, volkeren en religies heen – gemobiliseerd kunnen worden. Tot slot is er de ‘ondersteunende rol’ die internationale grootmachten al dan niet spelen.[i]

KB001_Tunesie

bkbcampaignwatch.nl

 

De niet-invulling van deze criteria maakte dat de protesten en opstanden in landen zoals Bahrein of Jordanië gestrand zijn. Zelfs in Syrië, waar de manifestaties en protesten uitgemond zijn in een nietsontziende burgeroorlog – in een ronduit heilige oorlog voor heel wat salafistische rebellen – is er geen zicht op een revolutie die naam waardig. Hoewel de waarschijnlijkheid van een post-Assadtijdperk in 2013 groter dan ooit is, is het net omwille van het sektarische karakter van deze opstand, en de tegenstrijdige belangen van internationale en regionale grootmachten, dat elke uitkomst alles zal zijn behalve een revolutie.

Bovendien betekent een verschuiving wèg van de dictatuur niet per se dat men in de richting van de democratie opschuift. Meer, de laatste jaren lijken mengvormen eerder regel dan uitzondering te worden. Niet in het minst door het relatieve succes van het ‘Chinese model’.

Een aantal politicologen van de Universiteit van Amsterdam heeft in opdracht van het Nederlandse Ministerie van Veiligheid en Justitie een uitstekend rapport geschreven waarin onder meer de tegenstelling democratie/dictatuur wordt doorprikt. Binnen het kader van dit stuk geven we enkel mee dat er wordt vastgesteld dat nogal wat autoritaire regimes wel degelijk liberale en sociale recepten invoeren maar hierdoor niet per definitie democratisch worden. Het kan louter een overlevingsstrategie zijn en dus de alleenheerschappij in vrijere vorm verderzetten. Soms kan het de greep van een regime zelfs versterken. Door bijvoorbeeld oppositiepartijen of het maatschappelijk middenveld in het beleid te betrekken, kunnen deze in de agenda van het regime ingeschakeld worden of het regime (meer) legitimiteit verschaffen. Kortom, niemand is in staat te garanderen dat (liberale) democratie de uitkomst zal zijn van de Arabische Lente.[ii]

Libië en Jemen, tribale landen par excellence, staan voor een lang proces van staats- én natievorming. Het zal zelfs allesbehalve makkelijk zijn om de openbare orde te handhaven. Milities, jihadisten, afscheidingsbewegingen maar ook criminele organisaties zullen de centrale overheid steeds meer uitdagen. Egypte zal mede dankzij de nieuwe grondwet verder geleid worden door een tweekoppig monster bestaande uit het leger en de Moslimbroederschap. Hoewel het land een aantal democratische procedures verankert, wil dat nog niet zeggen dat er sprake zal zijn van democratische uitkomsten – de islamisten hebben een absolute meerderheid in het parlement. Ook hangt het er maar vanaf waar je de lat legt. Het verhoopte ‘Turkse model’ in Egypte lijkt nog ver weg. Misschien mogen we al blij zijn als Egypte er op middellange termijn in slaagt om een liberale autocratie à la marocaine te worden.

Ondanks de enorme sociale en economische uitdagingen lijkt Tunesië de grootste slaagkansen te hebben om daadwerkelijk de omslag te maken naar een liberale democratie. Het is een relatief klein land, met een geschoolde bevolking en een seculiere traditie. Om het met een boutade te zeggen: als het in Tunesië niet lukt, dan lukt het nergens.

Er zijn echter twee factoren die het proces dat de Arabische Lente is een zware slag kunnen toebrengen. Het gaat over de dreiging die uitgaat van het gewelddadige salafisme en het gevaar van burgeroorlogen, of een regionale oorlog.

De dreiging van het gewelddadige salafisme

De Arabische Lente staat nog maar net voor de deur en daar is de ‘islamitische zomer’ al: het zal niemand ontgaan zijn hoe islamistische bewegingen annex partijen na de val van de regimes het politieke vacuüm, via democratische weg, hebben opgevuld. Kijken we maar naar Ennahda in Tunesië en de Moslimbroederschap in Egypte. Men zou kunnen zeggen dat de cirkel stilaan rond is. De klassieke  islamiseringspolitiek van onderuit kan voortaan aangevuld worden met die van bovenaf. Het wordt uitkijken hoe de Moslimbroeders hun gekende slogan ‘de islam is de oplossing’ in de praktijk zullen realiseren.

De jongeren die de Lente hebben doen ontluiken, zijn er vooralsnog de grote verliezers van. Dit hebben ze deels aan zichzelf te danken. De uit het paleis verbannen neef van de Marokkaanse koning, Hicham Ben Abdallah Al-Alaoui, een zakenman maar ook onderzoeker aan Stanford University, maakte in Le Monde Diplomatique een pertinente opmerking ter zake: ‘Aujourd’hui, pourtant, cette jeunesse se retrouve marginalisée en Tunisie, en Libye et en Egypte, et avec elle sa vision de l’avenir plus séculière et démocratique, parce qu’elle a échoué à construire un front politique cohérent lorsque les régimes autoritaires qu’elle combattait se sont effondrés. (…) En privilégiant la rue comme espace d’expression politique, en se focalisant sur la protestation directe et spontanée au détriment des voies plus tièdes et structurées de la politique électorale, les jeunes révolutionnaires se sont privés de tout pouvoir et de toute représentation dans les nouvelles institutions démocratiques comme les parlements et les conseils populaires.’[iii]

De progressieve jeugd die aan de basis lag van de Arabische Lente raakte politiek gemarginaliseerd. Ze dreigt nu geplet te worden tussen de hamer van de islamisten in maatpak in de regeringen en parlementen en het aambeeld van islamisten in volkswijken die intimidatie en geweld niet schuwen. De ontwikkelingen op het terrein zijn allesbehalve hoopgevend. Enerzijds tastten de Moslimbroeders en de hunnen de grenzen van de politieke macht af. Anderzijds voelen verschillende orthodoxe en sektarische islamitische stromingen zich sinds de val van de dictators, en de machtsovername door islamitische partijen, zich als een vis in het water. Vooral de salafisten laten van zich horen. Ze zien een kans om de droom van een islamitische samenleving te vervullen met een bestuur dat Gods’ wetten op aarde implementeert.

De term salafisme verwijst naar de salaf, de rechtschapen voorouders, waarmee de eerste generaties moslims worden bedoeld: de profeet Mohammed en zijn metgezellen, en de twee generaties moslims die daarop volgden. De ideeën en levenswijze van de eerste eeuw van de islam zijn dus het na te streven ideaal. Bij het salafisme staat de Tawhid (de Eenheid van God) centraal. Dit staat voor het monotheïsme en voor de onderwerping aan God – en God alleen. Het salafisme bestaat uit grofweg drie oriëntaties: naast de vrome, eerder teruggetrokken salafisten zijn er militante maar ook jihadistische salafisten.

Heel wat voordien discrete salafisten zijn nu ronduit militante salafisten geworden. Ze proberen hun moraal op te leggen aan anderen in het publieke domein. Niet-gesluierde vrouwen, studenten, artiesten, holebi’s, seculieren en christenen worden vaker geïntimideerd en aangerand. Betogingen aan en zelfs aanvallen op cultuurcentra, universiteiten, bioscopen, televisiestudio’s… zijn toegenomen. In Egypte riep de woordvoerder van de salafistische beweging, Abdel Moneim Al-Shahat, zelfs op om de piramides van Gizeh te vernietigen wegens ‘afgoderij’. Alsof dat niet genoeg is, knijpen de nieuwe autoriteiten een oogje dicht om de eigen ‘rechterflank’ ter wille te zijn. Meer, salafisten worden bij momenten ingezet om politieke of maatschappelijke tegenstanders te intimideren.

Daarnaast zijn een aanzienlijk aantal militante salafisten nu jihadistische salafisten geworden. Ze hebben bijvoorbeeld de aanval op de Amerikaanse ambassade in Bengazi alsook de recente gijzelingsactie op het Algerijnse gascomplex In Amenas op hun conto. Velen onder hen vechten op dit eigenste moment een heilige oorlog in Syrië en Mali. Het spreekt haast voor zich dat de overlevenden bij hun terugkeer zich niet zomaar terug in de samenleving zullen integreren. Ook roeren hier en daar zogenaamde ‘takfiristen’ zich. Deze extremisten behouden zich het recht voor om moslims die niet naar hun smaak de islamitische voorschriften volgen als een legitiem doelwit te zien.

Hierbij dient wel vermeld te worden dat nogal wat vrome, ‘mainstream’ salafisten ideologisch vijandig staan ten opzichte van de jihadisten en takfiristen. Ze beschouwen hen als ‘ghawaridj’, een sekte, die zich buiten de geloofsgemeenschap zet omdat ze voor ‘fitna’ of onrust zorgt.

De kans op (burger)oorlogen is niet onbestaande

De kans dat jihadistische salafisten in een gewapend conflict verzeild zouden raken met hun respectievelijke regering in pakweg Tunesië of Egypte is klein, maar niet onbestaande. Het zou een worst case scenario zijn: islamisten aan de macht en salafistische rebellen die terreur zaaien omdat de samenleving en de staat volgens hen niet naar de letter van de Koran handelen.

In de regio zijn verder twee belangrijke breuklijnen: de sjiitisch-soennitische en de Arabisch-Israëlische breuklijn. De kans op een interstatelijke, regionale oorlog is ook niet uit te sluiten. Zowel een verschuiving van de sjiitische-soennitische als van de Arabisch-Israëlische breuklijn zouden de regio in een oorlog kunnen storten.

De Syrische burgeroorlog, en de betrokkenheid van regionale en internationale grootmachten, is (naast het Iraanse kerndossier, natuurlijk) de actuele incarnatie van het sjiietisch-soennitisch treffen. Het ‘sjiietische kamp’ bestaat uit het regime van Bachar Al Assad, Hezbollah (Libanon), Iran en Rusland. Het ‘soennitische kamp’ bestaat uit de Syrische oppositie en de rebellen (waaronder de jihadisten), Turkije, de Golfstaten en de VS (maar ook de NAVO, en in zekere zin ook Israël). Een plotse en ingrijpende wijziging van de machtbalans tussen de rebellen en het regime in Syrië – vooral indien buitenlandse steun, van welk kamp dan ook, de doorslag zou geven in de verschuiving – zou het conflict kunnen doen overlopen en opflakkeren in de bredere regio.

Daarnaast blijft ook het Israëlisch-Palestijns conflict de gemoederen beroeren. Hoewel Palestina eind vorig jaar erkend is als waarnemerstaat in de VN maakt deze opwaardering tot ‘staat’ van Palestina allesbehalve een soeverein land. Palestina is vandaag een verzameling van enclaves die politiek en economisch afhankelijk zijn van Israël. En Israël lijkt ondanks wereldwijd protest allesbehalve van plan haar greep op Palestijns territorium te lossen. Integendeel.

Ingrijpende unilaterale stappen door Israël in de vorm van de annexatie van delen van de Westelijke Jordaanoever of van Oost-Jeruzalem, de deportatie van een aanzienlijk aantal Palestijnen uit Israël of de bezette gebieden, of een langdurige oorlog tegen Hamas in Gaza zouden naar alle waarschijnlijkheid leiden tot een derde Intifada. En een derde Intifada zou de eerste Arabisch-Israëlische oorlog sinds 1967 ook niet helemaal meer ondenkbaar maken.

Voor alle duidelijkheid, geen enkel Arabisch land heeft belang bij een oorlog met Israël (tenzij het Syrië van Al-Assad in een ultieme wanhoopspoging). De Egyptische Moslimbroederschap speelde zelfs een constructieve rol in het zoeken naar een staakt-het-vuren tussen Israël en Hamas (de Palestijnse afsplitsing van de Moslimbroeders) eind vorig jaar. Bovendien heeft Morsi laten weten dat hij het vredesverdrag met Israël uit 1979 wenst te respecteren (hoewel hij een bijlage ervan zou willen updaten). Een Arabisch-Israëlische oorlog zou er allicht enkel kunnen komen, en ja, bijna ‘onvermijdelijk’ worden indien Israël zich aan de Palestijnen zou vergrijpen zoals het in 1948 deed.

Een onzekere toekomst

Het is uiteraard erg moeilijk om te voorspellen wat de toekomst voor de Arabische wereld in petto heeft. Het ziet er echter niet naar uit dat de druk op de Arabische Lente tijdens de huidige overgangsfase zal afnemen. De uitdagingen op sociaal, economisch en veiligheidsvlak zijn groot. Maar wat met de lange termijn?

Zullen islamisten gesocialiseerd geraken in het democratische spel? Zal de islam terugtrekken naar de hoofden van gelovigen en gebedsplaatsen of blijft deze oprukken in de wetgeving en het publieke leven? Zullen de Arabische landen erin slagen om hun economie, onderwijs en arbeidsmarkt te ontwikkelen om zo de jongeren een toekomstperspectief (in eigen land) te bieden? Zal men rekening houden met een sterke toekomstige vergrijzingsgolf? Zal de langverwachte economische integratie met de Europese Unie een feit worden? Zullen de steenrijke petromonarchieën in staat zijn om overeind te blijven in een wijzigende energiemarkt door de schalierevolutie? Zal de terreurgolf uitdoven? Zal het Midden-Oosten meegezogen worden in een nucleaire race? Zal Israël in staat blijken om te blijven bestaan bij het uitblijven van een staat voor de Palestijnen? De vragen zijn legio, de antwoorden jammer genoeg niet.


[i] Goldstone J., 2011.

[ii] Zie voor een uitgebreide bespreking van de Arabische Lente in het kader van democratiseringstheorieën het uitstekende rapport van Aarts P. e.a., 2012.

[iii] Ben Abdallah El-Alaouie H., Monarchies arabes, la prochaine cible?, Le Monde Diplomatique, januari 2013, pp. 8-9.