21/10/2013

Netelige vragen over Vlaamse strijders in Syrië

Door Bilal Benyaich, vrijwillig wetenschappelijk medewerker aan de afdeling Politieke wetenschappen van de VUB.

Verschenen in De Morgen in maart 2013

De Vlamingen die de Syrische hel overleven, zullen bij hun terugkeer heel wat vechtervaring, onverwerkte trauma’s en contacten in de jihadwereld meebrengen

Vorige week waarschuwde het hoofd van Eurojust, de Belgische Michèle Coninsx, voor de deelname van « honderden Europese jongeren » en « tientallen Vlaamse jongeren » aan de strijd tegen het regime van Bachar Al-Assad in Syrië. Deze waarschuwing kan niet zomaar in de wind worden geslagen. Dat er Vlamingen strijden in Syrië is nieuw en gevaarlijk. Hoewel er nogal wat Europeanen meestrijden in Syrië vormen ze slechts een fractie van het aanzwellende legioen van buitenlandse strijders in dat land. De Tunesiërs alleen al bijvoorbeeld zijn met enkele duizenden. Opvallend is vooral het hoge aantal Vlamingen onder de Europeanen.

In een rapport van het Comité I van meer dan tien jaar geleden lezen we dat de Veiligheid van de Staat eind 2001 weet had, maar ook het spoor bijster was, van een tiental Belgen die vertrokken waren om deel te nemen aan de oorlog tegen de Amerikaanse bezetting van Afghanistan. Vandaag genereert Vlaanderen alleen al een veelvoud hiervan aan vrijwilligers voor de oorlog tegen Al-Assad – een aantal onder hen blijkt gesocialiseerd te zijn in het milieu van het ondertussen opgedoekte Sharia4Belgium.

De meesten zijn er jammer genoeg niet om voedselpakketten uit te delen aan Syrische vluchtelingen net over de grens in Turkije of Jordanië. Ze blijken zich aangesloten te hebben bij de gewapende tegenstanders van Al-Assad, die ook heel wat salafistisch-jihadistische milities en brigades kennen. Het is met andere woorden haast onvermijdelijk dat een aantal Vlamingen zij aan zij vechten met aan Al Qaida gelieerde veteranen uit Afghanistan en Irak.

Salafistisch-jihadistische brigades, zoals het Al-Nusra Front, hebben zich opgeworpen tot de meest te duchten tegenstanders van het Syrische regeringsleger. Mede hierdoor werd Syrië een magneet voor salafistische militanten uit alle hoeken van de wereld. In tegenstelling tot de nationalistische brigades vechten zij immers een ‘heilige’ oorlog tegen het ‘ongelovige’ (Alawitische) regime van Al-Assad. Voor hen zal Syrië een soennitisch-islamitische staat zijn, of niet zijn. Ze mogen rekenen op de gulle steun vanuit Saoedi-Arabië en Qatar (en struisvogels in de VS en de EU).

De Brusselse connectie

Het is niet de eerste keer dat Belgen, en personen woonachtig in België, betrokken zijn bij geweld in het buitenland. In de jaren tachtig bijvoorbeeld zijn een aantal personen gaan vechten in Afghanistan tegen de Sovjetbezetting. Solidariteit met onderdrukte geloofsgenoten was hier een centraal motief. In de jaren negentig zetten Algerijnse islamisten vanuit Europa hun strijd tegen het regime van het land van herkomst verder. Zo werden er midden en eind jaren negentig enkele netwerken opgerold in Brussel die gelieerd waren met de Algerijnse Groupe Islamique Combattant en de Groupe Salafiste pour la Prédication et le Combat.

Toen kwam 9/11. Solidariteit en islamistisch nationalisme maakten plaats voor de ideologie van de wereldwijde jihad van Osama Bin Laden. En die vond hier en daar weerklank in Brussel. Twee dagen voor de aanslagen in New York pleegde Abdessatar Dahmane – de man van de later berucht geworden Malika El Aroud – in Afghanistan een gelukte moordaanslag op de Afghaanse oppositieleider Ahmad Shah Massoud. Ook Dahmane kwam om. Enkele jaren later kwam de bekeerlinge Muriel Degauge om bij een (mislukte) zelfmoordaanslag in Irak. Ook haar man, Issam Goris, liet het leven in Irak. El Aroud hertrouwde met ene Moez Garsallaoui. Zij werden enkele jaren geleden veroordeeld voor het ronselen voor de jihad (Garsallaoui zou vorig jaar omgekomen zijn aan de Afghaans-Pakistaanse grens). Ondertussen werden ook een aantal twintigers aan de tand gevoeld en veroordeeld, waaronder Hicham Beyayo, die een aanslag beraamde.

Men kan er niet naast kijken. Het pad van heel wat Brusselse jihadisten (in wording) is op een bepaald moment gekruist met dat van ene Bassam Ayachi. Ayachi, een Frans-Syrische imam die sinds begin jaren negentig in Sint-Jans-Molenbeek woont, en vooral gekend is van zijn Centre Islamique Belge en de website assabyle.com, heeft bijvoorbeeld destijds het islamitische huwelijk voltrokken tussen Dahmane en El Aroud. In 2008 liep hij tegen de lamp. Niet in Brussel, maar in het Italiaanse Bari. Ayachi en zijn compagnon, de bekeerling Raphael Gendron, werden verdacht van het smokkelen van mensen om een aanslag te plegen in Parijs. De zaak kwam in beroep op losse schroeven te staan. Ze kwamen vier jaar later vrij.

Ayachi is nu terug in Brussel. Zijn maatje Gendron vecht ondertussen in Syrië. Net als de zoon van Bassam Ayachi trouwens, Abderrahmane Ayachi. In Syrië zou Ayachi junior het bataljon Soldiers of the Merciful samengesteld hebben dat onder de vleugels van de Falcons of Sham-brigade opereert. Geen doetje dus. Maar ook geen onbekende in Brussel. Ayachi junior, die nota bene recent in Brussel bij verstek veroordeeld is voor terrorisme, kreeg vorige zomer van niemand minder dan Brussels sp.a-parlementslid Fouad Ahidar volgende vriendschappelijke raad mee op Facebook: « Fais attention à toi cher Abderahman. Quelqu’un doit le faire malheureusement, fais attention. Nos prières sont avec toi. Assad tombera tôt ou tard. » Alsof dit niet genoeg is, deelde Ahidar gelijktijdig een foto van een fiere, gewapende Ayachi junior. Dat zulk een houding problematisch is voor een parlementslid hoeft allicht geen betoog.

Tientallen Vlamingen

Het salafistisch militantisme is nu geen exclusief ‘Brussels probleem’ meer. De afgelopen tien jaar zijn er ook in Oost-Vlaanderen, Antwerpen en Limburg enkele cellen opgerold. En vandaag leveren steden als Mechelen, Antwerpen en Vilvoorde zelfs meer strijders voor de bevrijding van Syrië dan Brussel. Een aantal onder hen – waaronder zij die tot het Sharia4Belgium-milieu behoorden – waren zichtbaar op de radar van veiligheids- en inlichtingendiensten. Dit stelt ons voor een reeks prangende vragen aan het adres van beleidsmakers.

Hoe komt het dat deze personen zonder meer zijn kunnen vertrekken naar Syrië? Is alles in het werk gesteld om ze te doen afzien van dit avontuur? Zijn er preventieve, aanklampende acties geweest? Indien niet: waarom niet? Weten de bevoegde diensten waar de jongeren zich op dit eigenste moment begeven? Of zijn ze het spoor bijster zoals dat van de Belgen die na 9/11 in Afghanistan gingen vechten? Hoeft het nog gezegd dat Vlamingen die de Syrische hel overleven bij hun terugkeer heel wat vechtervaring, onverwerkte trauma’s en contacten in de jihadwereld zullen meebrengen? En last but not least, mogen we er zonder meer van uitgaan dat er wordt gewerkt aan een proactieve strategie om deze uitdaging het hoofd te bieden?