24/10/2013

Syrië: een magneet voor Europese geradicaliseerde moslimjongeren

Door Marjon Goetinck, MEDEA Instituut

De problematiek rond de Europese Syrië-strijders en de gewelddadige radicalisering van moslimjongeren is weer razend actueel. Jejoen Bontinck, de Belgische Syrië-strijder werd op 19 oktober aangehouden op verdenking van deelname aan terroristische activiteiten op aangeven van Sharia4Belgium.  Jejoen zelf beweert dat hij daar niet heeft deelgenomen aan gevechten maar op eigen houtje naar Syrië trok om er als chauffeur voor vervoer van gewonden en medicatie als vrijwilliger te werken. Uit verklaringen van teruggekeerde Syrië-strijders blijkt echter dat de jongeman een actieve rol speelde in het rekruteren van strijders in Antwerpen. Dit is strafbaar volgens het Belgisch recht.

“Het fenomeen van jihad-strijders die vanuit de EU-landen naar onder meer Afghanistan en Pakistan trokken, en later ook naar Somalië en Jemen, om daar te vechten of trainen, kennen we al langer. Maar we hebben het nooit op dergelijke schaal meegemaakt als in Syrië’, zegt de Belg Gilles de Kerchove, de antiterrorismecoördinator van de EU.[1]  Volgens de Duitse Staatsveiligheid vechten er op dit moment 120 Belgen in Syrië, dat staat in een rapport dat het Duitse weekblad Der Spiegel kon inkijken. Na Duitsland (250) en Kosovo (150) zouden uit ons land dus het meeste strijders naar Syrië trekken. Meer dan er aanvankelijk werd gedacht.[2]

1aeab4c2-3b3b-11e3-b3a8-d5585119c427_originalVerschillende Europese landen vrezen dat deze teruggekeerde jongeren die zich aansloten bij salafistisch-jihadistische milities, zoals het aan Al-Qaeda gerelateerde Al-Nusra Front in Syrië, een potentiële terroristische bedreiging vormen voor onze maatschappij. De hamvraag is: zijn teruggekeerde Syrië-strijders zoals Bontinck potentiële terroristen die berecht moeten worden of getraumatiseerde jongeren die ondersteund en begeleid moeten worden?

In België werd in de meeste gevallen een federaal strafonderzoek geopend tegen deze strijders. Terecht kunnen we ons afvragen of het praktisch haalbaar is om te achterhalen welke criminele feiten deze Europese strijders begingen in het wespennest dat Syrië geworden is en waar journalisten en humanitaire hulporganisaties nauwelijks binnen geraken. De juridische aanpak vergt immers een strafonderzoek en de nodige bewijslast om de Syrië-strijders verantwoordelijk te kunnen stellen.

Het politiek-maatschappelijk debat wordt voor een groot deel bepaald door de vraag waarom deze jongeren radicaliseren en de wapens opnemen in een land ver van huis. Op een macroniveau kadert de hele problematiek van radicalisering in het bipolaire wereldbeeld van het “Westen” en de islam, dat alleen maar scherper werd sinds de jaren negentig en zeker na 9/11. Op het individuele niveau zien we dat jongeren die te maken hebben met identiteitsproblemen, discriminatie, stigmatisering en afwijzing, in combinatie met het gebrek aan socio-economische mogelijkheden vatbaarder zijn voor radicale ideologieën.[3]

In het discours van de Syrië-gangers zelf is te horen dat de passieve houding van de internationale gemeenschap in het aanslepende conflict hen overhaalt actie te ondernemen. De strijders maken echter geen geheim van hun ultieme doel: het veroveren van Syrië en de oprichting van een islamitische staat waar de sharia geïmplementeerd wordt. De val van Assad is dus  slechts een tussenstap.

Hoe deze problematiek van groeiende radicalisering aanpakken en voorkomen dat nog meer jongeren vertrekken? Er vloeide al heel wat inkt in de pers over mogelijke repressieve en preventieve maatregelen: administratieve en justitiële aanpak, jongeren via sociale media ontmoedigen te gaan strijden in Syrië, identiteitskaarten afnemen, deradicaliseringsprogramma’s, preventiebrochures, online tegendiscours voor radicaliserende jongeren[4].

Het blijft een prangende vraag hoe Europa radicale moslims – die in de greep zijn van een jihadistische ideologie en gevangenisstraffen noch kogels duchten – in het vervolg kan weerhouden te vertrekken. Daarnaast staan de EU autoriteiten voor de grote uitdaging de “would-be terroristen” te identificeren onder de teruggekeerde Syrië-strijders. Hoewel we de invloed van deze extremisten moeten indammen, moet duidelijk zijn dat deze jongeren niet allemaal per definitie terugkomen als terroristen. Tot slot: laat de heisa rond de Syrië-strijders geen koren op de molen zijn van degenen die menen dat elke vrome moslim een potentieel gevaar is voor de samenleving.


[1] Zie artikel “Facebook en Twitter moeten jihadi’s stoppen”, De Standaard http://www.standaard.be/cnt/dmf20130605_00612393

[2] Dit verscheen in een artikel op 22/10 in de Standaard “Duitse Staatsveiligheid: 120 Belgische strijders in Syrië”: http://www.standaard.be/cnt/dmf20131022_039

[3] Radicalisation, De-Radicalisation, Counter-Radicalisation: A Conceptual Discussion and Literature

Review: http://www.icct.nl/download/file/ICCT-Schmid-Radicalisation-De-Radicalisation-Counter-Radicalisation-March-2013.pdf

[4] Zie document: “Belgische federale strategie tegen gewelddadige radicalisering”: http://www.milquet.belgium.be/sites/default/files/20130924-Belgische%20federale%20strategie%20tegen%20radicalisering.pdf