18/12/2013

De onzekere politieke transitie in Tunesië

MEDITERRANE MIDDAG 

De onzekere politieke transitie in Tunesië

Lunchdebat met Sami Zemni, Professor aan de afdeling Conflict en Development Studies aan de Universiteit Gent en coördinator van de Middle East and North Africa Research Group (Menarg).

 Woensdag 13 november 2013 DE 12H30 À 14H  

Georganiseerd met de steun van de Europese Beweging-België

 

Introductie door Marjon Goetinck:

Welkom op deze Mediterrane Middag over “De onzekere politieke transitie in Tunesië” met Sami Zemni. Graag bedank ik de Europese Beweging België voor de ontvangst en het MEDEA team voor de organisatie van dit lunchdebat. Bedankt ook aan het publiek voor jullie interesse.
Onze spreker vandaag is Sami Zemni, Professor aan de afdeling Conflict en Development Studies van de Universiteit Gent en coördinator van de Middle East and North Africa Research Group (Menarg). Dit jaar kwam zijn boek uit “Het Midden-Oosten. The times they are a-changin”.
Iedereen heeft de mond vol van de Arabische Herfst en Winter, na de Arabische Lente. De al bij al snelle val van Ben Ali in Tunesië en Mubarak in Egypte deed over de hele wereld een golf van optimisme ontstaan. Maar de situatie in vele Arabische landen is zorgwekkend. In Syrië escaleerde het verzet in een vernietigende burgeroorlog. De proliferatie van wapens in Libië gaat voort. De situatie is explosief in Egypte na de afzetting van Morsi. De revoluties hebben de eisen van de betogers, brood, vrijheid en sociaaleconomische rechtvaardigheid, niet ingelost.
Sinds het begin van de Jasmijnrevolutie in 2011 heeft Tunesië een grote transformatie doormaakt. Het kiezen van een Nationale Constitutionele Raad, het vormen van een regering en het lanceren van het congres voor de nationale dialoog zijn belangrijke ontwikkelingen in Tunesië’s transitiefase.
De verkiezing van de gematigde islamistische partij Ennahda in oktober 2011 verhoogde de hoop dat het land op koers zou blijven naar een meer inclusieve samenleving. Maar sinds de regeringspartij Ennahda aan de macht kwam, wordt het land geconfronteerd met groeiende onrust over een falende economie en een groeiende radicaal islamistische beweging.
De moord op Mohamed Brahmi – de linkse oppositieleider van het Front Populaire – in juli van dit jaar, na deze op Chokri Belaïd in februari de tweede politieke moord in een half jaar, deed Tunesië verzinken in een diepe politieke crisis. Het land wordt getekend door aanhoudende sociale protestacties en golven van geweld.
Sami Zemni gaat dieper in op de nieuwe socio-politieke breuklijnen en de uitdagingen waarvoor Tunesië staat.

Interferentie door Sami Zemni

Danku Marjon. Iedereen hartelijk welkom en bedankt voor deze hele goede inleiding. Om te beginnen zou ik ook MEDEA en de Europese Beweging willen bedanken voor deze uitnodiging en mij de kans te geven om vandaag met jullie over Tunesië te praten. Zoals Marjon al zei, was Tunesië het eerste land dat haar president afzette, het was het startschot van de zogenaamde Arabische Lente. Vandaag zit Tunesië zoals vele andere buurlanden, maar toch in mindere mate in een politieke impasse. De bedoeling van mijn lezing vandaag, is om een achtergrond te schetsen van wat geleid heeft tot die impasse en wat de grote vraagstukken zijn waarmee het land te maken heeft de dag van vandaag.
Ik zal iets zeggen over de Tunesische revolutie, hoe die gegroeid is van een lokale opstand naar een populaire nationale revolutie. Ik zal ook even stilstaan bij waar het allemaal begonnen is en vooral, wat ik dan wat abstracter de politieke en morele economie van de opstand noem. Ik zal stil staan bij wie die mensen die op straat zijn gekomen waren, hun directe eisen, maar ook wat hun belangen waren nadat Ben Ali vertrokken was. Dan komen we in de fase van een onzeker begin: het opbouwen van een nieuwe politieke orde na het afzetten van Ben Ali bracht grote vragen met zich mee. Nadat de massa op de straat had gesproken, moesten de politici en de politieke bewegingen de stem overnemen en komen tot een institutionalisering van de revolutie. Dit is cruciaal geweest, omdat Tunesië bepaalde keuzes heeft gemaakt, die tot op de dag van vandaag verder leven. De verkiezingen waren eigenlijk een mijlpaal, omdat men daarna in een fase kwam waarin een legitieme regering, verkozen door het volk, aan de macht is gekomen. In die regering is Ennahda, de belangrijkste partij, maar niet de enige. Er zijn ook twee coalitiepartners: een centrum rechtse en een centrum linkse sociaal democratische partij.
Ten slotte zal ik bespreken hoe men na een gevoel van hoop, de eerste maanden na de revolutie stilletjes aan in een politieke impasse terecht is gekomen. Ik zal stil staan bij de nieuwe breuklijnen van het nakende nieuwe politieke systeem en uiteindelijk kijken naar wat er vandaag in het kader van de nationale dialoog mogelijk is aan uitkomsten.

2013-11-13 13.43.53

Laten we terug gaan naar het begin van de revolutie. Iedereen herinnert zich Mohammed Bouazizi, door zichzelf in brand te steken wordt hij gezien als het startschot van de Arabische Lente. Hij is een soort ‘trigger’ geweest van een beweging van protesten in de hele Arabische regio, maar er is natuurlijk meer aan de hand. De revolutie heeft een voorgeschiedenis. In Tunesië was er in 2008 al een grote opstand, een regionale opstand in het mijnbekken rond Gafsa, een regio in het Zuidwesten van het land. Een regio die al decennia lang een zeer afhankelijke positie heeft ten opzichte van de meer ontwikkelde kuststeden. Heel veel van de mineralen die daar ontgonnen worden, worden naar de kuststeden gebracht. Het geld dat daarmee wordt verdiend keert echter niet terug naar de regio. Bijgevolg blijft deze regio een van de meest onderontwikkelde regio’s in het land. Over de opstand in 2008 hebben we zeer weinig gehoord. Ben Ali slaagde er toen wel in dat nieuws geheim te houden en maar weinig informatie kon het land verlaten. Enkel via de Tunesische gemeenschappen in het buitenland en vooral die in Montreal kon men iets te weten komen.

Sinds 2001, het moment waarop wij gechoqueerd zijn door de aanslagen van 9/11 en onze hele visie op de wereld wordt geconditioneerd door de oorlog tegen het terrorisme, gebeurd er iets anders in de Arabische wereld. De oorlog tegen het terrorisme heeft de lokale leiders in staat gesteld om nog meer repressie te gebruiken en onder het mom van ‘vechten tegen het terrorisme’ de druk op de maatschappij te vergroten. Overal zag je dat het sociaal protest snel groeide. Op het einde van 2010, begin 2011 zien we dat twee grote stromingen in de Arabische wereld – die vaak spontaan waren in een beginfase van organisatie – elkaar vonden. Enerzijds had je allerlei initiatieven die uit de verstedelijkte middenklasse kwamen; the civil society als het ware, die meer aandacht vroeg voor politieke hete hangijzers zoals meer vrijheid, gelijkheid tussen man en vrouw, eerlijke verkiezingen en sociale en economische rechten en plaatste deze op de agenda. Daarnaast heb je de sociale strijd, die eerder vanuit de arbeidersbeweging kwam. Wanneer deze twee tendensen elkaar vonden zoals in Egypte of Tunesië kreeg je een heel breed draagvlak voor protest en dus ook voor een revolutie. Dus we wisten dat er problemen waren en dat er clashes op komst waren, maar in welke mate en welke vorm dat zou aannemen was niet te voorspellen. Als je kijkt naar de macro- economische cijfers, ook al werden die wat opgepoetst, zie je een gestage groei voor Tunesië in de jaren 2000. De macro- economische problemen waren echter niet het probleem, maar wel wat met het geld gebeurde. In Tunesië had je naast de klassieke gevallen van corruptie en vriendjespolitiek een ander fenomeen, namelijk een maffiatype van economische organisatie. Dit gaat vooral over de familie van de vrouw van de president, die steeds driester en steeds meer openlijk de economie beschouwden als hun eigen speeltuin. Een bijkomend probleem was dat de gegenereerde groei niet werd herverdeeld zoals in de jaren ’60-’70 het geval was onder Bourguiba. De kloof tussen arm en rijk groeide, hoewel dit relatief te bekijken valt. De kloof is groter in Marokko en Egypte dan in Tunesië. Mensen hadden de perceptie dat de jongere generatie een beter leven zou hebben, er was toegang tot onderwijs en men had het idee dat dit de ideale manier was om een goede baan te vinden. Het idee droogde stilletjes aan op in Tunesië, waar steeds meer vriendjespolitiek vereist was om een baan te krijgen en een goed diploma niet meer volstond. Deze groeiende ongelijkheid bracht een explosieve situatie teweeg en in deze context stak Mohammed Bouazizi zichzelf in brand. Hij deed dit in december 2010, maar eigenlijk waren er in de zomer van 2010 al spanningen in de regio rond Gafsa. De revolutie start dus in Gafsa, dan Sidi Bouzid en dan volgen vele kleine stadjes die economisch gemarginaliseerd zijn. Heel snel komen jongeren op straat die zich identificeren met Mohammed Bouazizi. De opstand verbreed zich geleidelijk tot bijna de gehele bevolking, vanuit sociologisch zichtpunt breiden de protesten uit naar de stedelijke gebieden, waar bijvoorbeeld ook de advocaten een belangrijke rol gespeeld hebben. De advocaten waren belangrijk om mensenrechten op de agenda te plaatsen, want de advocatuur was een van de weinige plekken die Ben Ali nog niet onder controle had en waar nog kritiek was op het regime. Daarnaast werden de scholen een week langer dichtgehouden, na de vakantie in december, omdat er te veel instabiliteit was. Dit heeft als gevolg dat leerlingen en leerkrachten, die een belangrijke rol spelen in de vakbonden ook op straat komen. Ook de middenklasse, die jarenlang een grote steunpilaar was van Ben Ali, begint op straat te komen. Ben Ali komt dus helemaal alleen te staan en het enige waar hij nog op kon terugvallen was misschien het leger, de politie, of een van de zoveel afdelingen van de politieke politie. Op een bepaald moment kan Ben Ali niet anders – hij denkt dat hij daarmee een goede zet doet – dan de politie van straat halen en die te vervangen door het leger. Het leger in tegenstelling tot vele buurlanden heeft het leger in Tunesië een eerder neutrale houding. Het leger besliste dan ook snel dat het haar taak was de nationale instellingen te verdedigen en niet om repressie te voeren. En op 14 januari 2011 vertrekt Ben Ali.

De periode na de revolutie kunnen we onderverdelen in drie fasen: een eerste fase tussen het vertrek van Ben Ali en 3 maart 2011 (wanneer de interim-president een historische toespraak geeft aan het volk), een tweede fase tussen 3 maart en de verkiezingen en een derde postelectorale fase, weer in de klassieke politieke logica van de revolutie versus regering.

  1. Formeel gezien komt de revolutie pas in een definitieve plooi te liggen op 3 maart 2011. Na het vertrek van Ben Ali waren er verschillende opties, maar zoals vaak in Tunesië, een land dat altijd terugvalt op het idee van een grondwet, kijken de politieke machthebbers die overblijven en dus de zittende regering naar de grondwet. De grondwet zegt dat de voorzitter van het parlement, ad interim president moet worden en zijn enige taak is om binnen 60 dagen verkiezingen te organiseren. Iedereen is het er over eens dat die periode te kort is, je kunt geen politieke partijen laten ontstaan om heel snel aan verkiezingen te laten deelnemen. Bijgevolg blijft het protest op de straat verder duren, mensen vinden dat de hele regering moet aftreden, of ten minste alle ministers van de regeringspartij van Ben Ali. Daarnaast eisen ze de ontbinding van Ben Ali zijn partij, de RCD (Rassemblement Consitutionel Démocratique). Ze eisen geen presidentsverkiezingen, maar de verkiezing van een constituante, een grondwetgevende vergadering. Een nieuw parlement dat een eigen nieuwe grondwet zal schrijven. In het begin wil de regering dit niet. Eerste minister Mohamed Ghannouchi, die onder Ben Ali vooral technische dossiers opvolgde, had geen zin om de regering te leiden, maar voelde dat als zijn plicht. Hij wordt geconfronteerd met bijkomend protest dat zal uitmonden in de bezetting van het Kasbah plein, de plaats waar de eerste minister zijn kantoor heeft. Uiteindelijk zal Ghannouchi aftreden onder die druk. Hij zei letterlijk “ Ik wil niet de man zijn die moet orders geven tot repressie of dergelijke, ik kan niet om met dit grootschalig protest dat blijft duren.” Op 3 maart komt dan de interim-president met een historische toespraak waarin hij eigenlijk toegeeft aan de stem van de straat, de stem van revolutionaire legitimiteit. De grondwet van 1959 wordt opgeschort en de regering is nu niet meer dan een technische groep van mensen, die enkel zal bestaan uit technocraten om dossiers op te volgen. Er wordt een nieuwe organisatie gecreëerd: de Commissie Ben Achour en er worden geen verkiezingen gehouden binnen de 60 dagen, maar verkiezingen voor een grondwetgevende vergadering. Je kunt dus zeggen dat op 3 maart de grote eisen van de revolutionaire legitimiteit gehoord worden.
  2. Het proces is niet langer een gecontroleerd proces van bovenaf, door de elite die eigenlijk altijd de macht in handen heeft gehad. De compositie van Ben Achour brengt Tunesië in een ander kader. Je hebt een regering die van zichzelf zegt dat het geen echte regering is en die de lopende zaken waarnemen en de legitimiteit zou moeten dragen van het volk. Er was beslist dat het over een grondwetgevende vergadering zou gaan, dit betekent niet dat zij een grondwet moesten uitschrijven. Het is geen politiek comité zoals in Egypte het geval was, het schrijven van de grondwet ging men overlaten aan het verkozen parlement. Er moest dus nagedacht worden over hoe men die verkiezingen zou organiseren en welke macht het parlement toegekend zou worden. Dit is allemaal heel onduidelijk geweest, maar toch heeft het een bepaalde lijn in het land gebracht die toch wel redelijk uniek is. Er werden uiteindelijk verkiezingen georganiseerd, waarbij de islamitische partij Ennahda heel duidelijk gewonnen is, maar zij gingen dus een coalitie aan met de CPR ( Congrès pour la République) en Ettakatol (de sociaaldemocratische partij van Mustafa ben Ja’afar). Dit leidt tot een trojka ( 3 partijen aan de macht) met de 3 zogenaamde presidenten. Tunesië wordt dus officieel geleid door 3 presidenten: president van de republiek (Moncef Marzouki van CPR), de president van het parlement (Mustafa ben Ja’afar van Ettakatol) en de eerste minister (Jebaili van Ennahda). Nu, onmiddellijk breekt er een strijd uit over wie het meest om zeggen heeft. Is het een regering waar de macht die bij de presidenten en eerste minister ligt een meer symbolische rol gaat spelen, zoals het Duits model, of omgekeerd? Aangezien Ennahda de grootste partij was, hebben zij kunnen opleggen dat de president voor buitenlandse zaken en defensie en interne politiek eerder een symbolische functie zou gaan invullen in plaats van een inhoudelijke, wat voornamelijk ingevuld werd door de eerste minister die tot nu toe altijd door Ennahda figuur is ingevuld.
  3. Men gaat van hoop naar impasse, eerst en vooral omdat de nieuwe regeringspartij niet echt uitblonk in kennis en kunde van het regeren. Daarnaast hebben we kunnen vaststellen dat er heel veel ministers in de eerste regering zitten, het is een ongelooflijk log apparaat. Men is er in geslaagd meer dan 43 ministers en staatssecretarissen aan te stellen, terwijl iedereen zat te wachten op een kleine ploeg die zou gefocust zijn op de belangrijkste zaken, namelijk het schrijven van een grondwet, economische heropleving, enzovoort. Integendeel, men heeft er een enorme mastodont van gemaakt. Diegene die verkozen zijn geweest, zijn helaas niet altijd de meest briljante mensen van de natie, wat er toe geleid heeft dat er heel veel incompetentie in het beleid is gekomen. En dat is natuurlijk iets wat mensen beginnen te bekritiseren.
    Maar misschien nog problematischer is de opkomst van het salafisme. Iets wat Tunesië anders niet kende, het was een zeer gecontroleerd en repressief behandeld fenomeen onder Ben Ali. Ik zal nu niet verder ingaan op wat salafisme inhoud etc., door tijdgebrek. Het volstaat hier om aan te halen dat dit het soort groepen omvat die in de eerste plaats religieus zijn en vanuit religie naar de wereld kijken. Niet enkel politiek, alles, dus ook het dagdagelijkse leven. Zij komen dus tot de politiek via een omweg, ze denken niet over politiek of instituties, volgens hen is dat duidelijk: de shari’a is de wet en daar heb je genoeg aan. Het is dus een heel arme politieke denkwereld en in de eerste plaats een religieuze denkwereld. Dit verschilt sterk van het islamisme, zeker in Tunesië, want die zijn veel pragmatischer. Die doen aan politiek en laten zich gewoon inspireren door religie. Dit kan veel vormen aannemen: van zeer conservatieve mensen tot heel liberale. Dit is dus een heel andere manier om aan politiek te doen. Dat is ook een van de grote vragen geweest voor veel Tunesiërs. Als men sociologisch kijkt wie het meest aansluiting vindt bij die beweging, dan zijn dat vooral gemarginaliseerde jongeren, zowel in economisch gemarginaliseerde stadjes in het binnenland als in de suburbs van de grote steden, waar ze vaak in heel moeilijke en arme omstandigheden leven. Dat lijkt de eerste voedingsbodem te zijn van die salafisten. Je zou daarmee kunnen zeggen dat, nadat in de jaren ’60 de grote militanten en activisten en diegene die aan revolutie, verandering dachten, eerder linkse mensen waren en in de jaren ’80-’90 islamisten, dat we nu met een jeugd zitten waarvan een deel zich aangetrokken voelt tot deze ideologie. Als we de laatste jaren het nieuws horen over Tunesië, alsook over de buurlanden, dan is het grote probleem de tweespalt tussen Islam en secularisme ( wat niet antireligieus wil zeggen). Bestaat die breuklijn? Ik zou zeggen ja, maar niet op zich, die krijgt pas zin omdat die doorkruist wordt door twee andere cruciale breuklijnen en die volgens mij even belangrijk zijn en samen die speciale cocktail van conflicten vormen. Enerzijds is de grote spanning momenteel, tussen de oppositie en de regering, een kwestie van transformatie versus affirmatie. Wat bedoel ik daarmee: transformatie, wil zeggen die mensen die compleet willen breken met wat voordien bestond, een nieuw politiek systeem, identificatie, kortom alles. Affirmatie echter, is eerder mensen die willen behouden wat goed was, maar ervoor willen zorgen dat er meer vrijheid is, dat er democratische instituties zijn. Dit is dus eerder een hervormingsgezinde visie.
    Een tweede breuklijn is de kwestie van de economie. De economie draait slecht momenteel en dit is er niet beter op geworden door de revolutie. Er zijn mensen die een compleet economische transformatie willen, de hele economie willen herorganiseren. Hoe dat moet gebeuren is natuurlijk een zeer heikel punt. De andere kant zegt dat het met het beleid van Ben Ali min of meer kan herintroduceren, maar dan goed uitvoeren. Daarmee bedoelt men een vrije markteconomie, waarbij iedereen zich kan verrijken en waar men moet zorgen dat er geen corruptie en dergelijke is. Hieromtrent is er dus ook een grote spanning.
    De kwestie van identiteit en religie snijdt daar door. Als je kijkt naar mensen die een voorkeur hebben voor salafisten of islamisten en je kijkt naar de mensen die stemmen voor een seculiere agenda, dan kan je niet anders dan besluiten dat dit ook een klasse inhoud heeft. Je zou kunnen zeggen dat een groot deel van de elite en de hogere middenklasse veel dichter neigen naar de seculiere manier van aan politiek doen, de salafisten zitten eerder aan de onderkant van de maatschappij en de islamisten proberen overal een beetje stemmen te winnen. Maar er zit daar een klassencomponent in, dit is heel belangrijk om te onthouden, het gaat niet om ‘wij willen secularisme en zij willen islam.’ Er zijn heel veel diepgelovige mensen die een seculiere visie hebben op politiek en maatschappij. Dus die mensen zijn niet per se antireligieus. Dat maakt dat die breuklijnen zeer moeilijk zijn. Daarnaast zorgt dat er ook voor dat mensen gemakkelijk alles op identiteit gaan steken. Het is gemakkelijk om te spreken in naam van identiteit, want dan behoor je nogal snel tot een groep. Zo krijg je clashes tussen verschillende mensen. Onder de grote protagonisten van de politieke partijen; heb je bijvoorbeeld Ennahda, een islamistische formatie, die op deze as een transformatie willen. Ze willen Tunesië hervormen met een nieuwe politieke cultuur en een nieuwe politieke structuur. Ze willen wel een liberale economie, ze zijn voorstander van de vrije markt. Ze willen wel herverdeling op basis van caritas, zoals de christendemocratische partijen vroeger in Europa. Ze denken weinig na over sociale zekerheid, maar wel over hoe het de plicht is van de gelovige om een deel van de rijkdom af te staan aan de arme. Dus een zeer klassieke, paternalistische visie op herverdeling. Waarom is identiteit belangrijk? Als ze willen breken met het verleden, betekent dit niet alleen een einde maken aan de instituties van het verleden, maar ook de erfenis van Bourguiba en Ben Ali uit de wereld helpen. Dus vinden ze dat Tunesië een heel andere zelfidentificatie moet krijgen, een die gebaseerd is op de Arabischislamitische identiteit. Daartegenover staat de beweging die is opgericht door de transitie premier Beji Caïd Essebsi, die de Nidaa Tounes coalitie leidt. Nidaa Tounes wil iets helemaal anders, zij willen geen transformatie maar affirmatie en willen behouden wat goed functioneerde in de Tunesische staat. Wat ze economisch willen is nog niet helemaal duidelijk, want er is sprake van verschillende stromingen, maar ze willen een centrumrechts economische cours varen, dit wil zeggen vrije markt maar toch enigszins gereguleerd en met enige democratische ingrediënten daaraan toegevoegd. Het idee van Tunesië, als zijnde een cesuur in de Middellandse Zee, tussen de Arabische Islamitische wereld en Europa, een land met een politieke cultuur die ver terug gaat in de geschiedenis, van voor de islam, moet behouden blijven. Deze identificatie botst met het idee van Ennahda. Dit wordt ook via deze simpele anekdote duidelijk: toen Ben Ali nog regeerde, had hij in 2002 een boot besteld die op en neer vaart tussen Genua, Marseille en Tunis. Die werd opgeëist 8 jaar later, na het vertrek van Ben Ali. Het is de modernste car ferry van de Middellandse Zee en iedereen is daar dus fier op in Tunesië. Heel simpel, die boot een naam geven: er is geen enkel land in de Arabische wereld de dag van vandaag die er zou in slagen die boot de naam te geven van een pre-islamitische godin, Tanit. Dit is zuiver anekdotisch, maar wat zeggen de mensen van Nidaa Tounes, dat dit Tunesisch is, met een Fenisische oorsprong. Deze mengelmoes van geschiedenis is de identiteit van de Tunesiër. Nu zijn er al mensen van Ennahda die al besproken hebben of het niet mogelijk zou zijn om de naam van die boot te veranderen. Zo zie je maar hoe het gaat in de politiek, terwijl de economie steeds moeilijker begint te draaien. Dit leidt ertoe dat de mensen zelf zeggen dat ze een sociale, economische verandering, dat men inderdaad in de politiek de debatten op het identitaire gooit. Zo kan men de moeilijke dossiers van economie een beetje links laten liggen. Men doet dat omdat men er niet in slaagt om daadkrachtig in de economie op te treden. Tunesië is zo een klein land dat men eigenlijk weinig hefbomen heeft om zelf die economie te gaan veranderen. Zoals in het begin al werd verteld, en ik ga daar mee afronden, zijn er dit jaar twee grote geweldplegingen gebeurd. Twee politieke moorden op linkse oppositieleiders Chokri Belaïd en Mohamed Brahmi in juli van dit jaar. De eerste moord bracht al een schokgolf te weeg, de eerste minister, Jebaili is daarom afgetreden. Hij was zo gechoqueerd dat er voor de eerste keer in Tunesië een duidelijke politieke moord was gepleegd (de eerste sinds 1953, wanneer de Fransen Fahad Hasheb hadden vermoord). De eerste minister van Ennahda kende Chokri Belaïd. We mogen niet vergeten dat dit een van de gelukkige ingrediënten is van het Tunesische systeem, dat ondanks de impasse, de mensen blijven praten. Ze hebben allemaal samen in de gevangenis gezeten, waaronder Jebaili. Ze zaten allemaal om de zelfde reden in de gevangenis onder Ben Ali, ze hadden niets misdaan, maar ze zaten wel in de gevangenis omdat ze bepaalde politieke visies hadden, verschillende politieke visies. Dat houdt het land voor een stuk nog samen, dat er een bepaalde solidariteit is. De moord op Brahmi, deze zomer, gebeurd op het moment dat in Egypte de contrarevolutie en de staatsgreep van het leger op volle toeren draait. Dit heeft als resultaat dat ook in Tunesië Ennahda bang wordt. Ze weten niet goed wat ze moeten doen. Kwatongen zeggen dat ze tijd aan het winnen zijn, wat men natuurlijk doet in de politiek als men aan het onderhandelen is, maar ik ben er ook van overtuigd dat ze niet goed weten wat te doen. Zij beseffen dat de regering aan de macht elke legitimiteit heeft verloren. Als er vandaag verkiezingen zijn zal er een afstraffing zijn van de twee kleine partijen: Ettakatol, bestaat bijna niet meer en de CPR is moeilijk te zeggen, dat gaat vooral een kwestie van individuen worden. Ennahda voelt al dat zij een stuk van dat electoraat dat ze in 2011 gewonnen hebben, verloren zijn. Zij hebben een harde kern van ongeveer 20%, dus ze blijven wel een van de grote en belangrijke spelers, ook in de toekomst. Ze zijn echter van één ding bang: als ze nu de macht afstaan, gaan ze dan nog mogen regeren als ze de grote zijn in de verkiezingen en gaan ze nog mogen deelnemen? Zij weten dat het leger in Tunesië niet dezelfde rol zal spelen als in Egypte. Ze vrezen echter wel dat er een politieke beweging aan de macht komt die hen buiten wet stelt en dat ze weer op de zelfde manier zullen behandeld worden als onder Ben Ali. Die angst is zeer groot en ik hoop dat de oppositie dat begrijpt, wanneer men nu een nationale dialoog organiseert tussen alle politieke partijen en gechaperonneerd door de 4 belangrijkste organisaties uit het maatschappelijk middenveld: de vakbond, de werkgeversorganisatie, de liga van de mensenrechten en de orde der advocaten. Het probleem is altijd het zelfde, Ennahda zegt dat ze de macht willen laten, onder bepaalde voorwaarden en dus een regering die bestaat uit technocraten willen laten regeren tot aan de verkiezingen die volgend jaar zouden moeten plaatsvinden. Ze willen daarnaast ook de grondwet afwerken, maar in de praktijk doen ze het nog altijd niet. Daar stellen veel mensen zich vragen bij.

 

Om af te sluiten, zou ik zeggen, dat de grote uitdaging voor Tunesië inderdaad is om zo snel mogelijk tot verkiezingen te komen. Of er eerst een technocratenregering komt of dat de zittende regering blijft verder regeren is niet zo heel belangrijk. Het is raar dat men daar op focust. Het is belangrijk dat de grondwet er komt, wat mogelijk is binnen afzienbare tijd, daarna moeten er echter snel verkiezingen georganiseerd worden. Dan gaan we zien hoe de verhoudingen tussen de verschillende politieke partijen liggen. Iedereen gaat er vanuit dat er maar één mogelijke regering zal kunnen gevormd worden; dat is een regering waarin Ennahda samen gaat met Nidaa Tounes. Dus inderdaad de twee gezworen vijanden die elkaar nu continu bestoken in de politiek, maar wel rond de tafel zitten in de nationale dialoog. Cruciaal voor alle twee is wie de eerste minister zal hebben. De grootste partij zal de eerste minister krijgen en zal de belangrijkste partij zijn. Alle andere partijen lijken te klein, ze kunnen eventueel een derde partij aan boord nemen om de coalitie breder en sterker te maken. In de komende maanden zullen er waarschijnlijk kleine politieke formaties proberen aan te sluiten bij een van de twee bewegingen. De twee belangrijkste uitdagers zullen het echter samen moeten doen. Dat zal niet de meest krachtdadige regering zijn, het kan zelf een tegenstrijdige regering zijn, maar liever dat, om op een democratische wijze proberen om te gaan met de breuklijnen dan dat we afstevenen op een confrontatie. Daarmee denk ik het belangrijkste gezegd te hebben. Hartelijk dank!