20/02/2015

Intelligente aanpak van radicalisering: balanceren tussen een repressief, preventief en sensibiliserend beleid

Door Marjon Goetinck

In dit post-Charlie tijdperk worden we overspoeld door de gruwel en opmars van Islamitische Staat, de tragische terreuraanslagen in Brussel, Parijs en Kopenhagen en de problematiek rond radicalisering van moslimjongeren.

Het is zonder twijfel een complex maatschappelijk gegeven dat jonge moslims hun land de rug toekeren om zich aan te sluiten bij de rangen van het extreem gewelddadige IS.  België torent met de naar schatting 380 Syrië- en Irakstrijders hoog boven het Europese gemiddelde. De vraag van één miljoen in diverse parlementaire hoorzittingen en in de media is: waarom radicaliseren jongeren en wat kan de overheid en de samenleving daartegen inbrengen?

Over de beweegredenen en oorzaken van radicalisering lopen de meningen erg uiteen. Sommigen beklemtonen het belang van de politieke ideologie die geworteld is in de islam en de Koran, anderen focussen op de geopolitieke factoren. Nadia Fadil, sociologe aan de KUL, en ook Meryem Kenmaz, Doctor in de sociale en politie­ke wetenschappen die onderzoek voerde naar moslimgemeenschappen in België, wijzen op het belang van frustratie bij vele moslimjongeren die het resultaat is van uitsluiting, discriminatie en een gebrek aan perspectief in onze samenleving. De Nederlandse onderzoekster Marion Van San zet zich af tegen deze stelling. Sterker nog, ze poneert dat radicalisering vooral dreigt bij geïntegreerde jongeren. Radicalisering kan je dus niet verhelpen door jeugdwerkloosheid of discriminatie te bestrijden, aldus Van San.

In dit verband is het belangrijk te benadrukken dat er geen eenduidig profiel van de Syriëstrijder is. ‘De radicale islam is wat hen bindt’, schrijft politicoloog Bilal Benyaich, maar ‘radicalisering heeft verschillende oorzaken en risicofactoren die politiek, economisch, religieus, psychosociaal… van aard zijn. Ze interageren en komen bij elke extremist in een andere dosering voor’. Op die manier is Benyaich tot 6 categorieën gekomen. ‘Loser-jihadi’s komen het vaakst voor’, zegt Benyaich. ‘Het zijn jongeren met een problematische opvoeding of jonge delinquenten die naar erkenning en een groepsgevoel zoeken. Ze zijn erg vatbaar voor een radicaal gedachtegoed. Zij vormen het kanonnenvlees voor radicale organisaties. Voor dit profiel is er heel veel aandacht nodig vanuit de welzijnssector.’

In het verlengde van dit debat over de voedingsbodems van radicalisering, bestaat er veel discussie over de aanpak ervan. Welk beleid kan een impact hebben op de radicaliseringsgraad? En wie of wat moet een sleutelrol krijgen: onderwijs, jeugdwerk, politiediensten, moslimgemeenschappen, ouders, hulpverleners?

Radicalisering bestrijd je natuurlijk niet alleen met repressie. Er moet ook meer aandacht komen voor  de curatieve en preventieve aanpak. Mohssin El Ghabri haalt in zijn analyse “Belges partis combattre en Syrie” enkele interessante actiedomeinen aan. Deze politicoloog beschrijft drie preventieve maatregelen die op middellange en lange termijn impact zullen hebben op de radicaliseringsgraad. Ten eerste haalt hij de strijd aan tegen schooluitval en jeugdwerkloosheid. Het is in dit verband betekenisvol op te merken dat de meeste Brusselse jongeren die vertrokken zijn naar Syrië of Irak afkomstig zijn uit gemeentes waar de werkloosheid hoge toppen scheert (tot zelfs 50% in bepaalde wijken). Ten tweede moeten we discriminatie op werkvlak, maar ook andere vormen van discriminatie, racisme en islamofobie daadkrachtig bestrijden. De impact hiervan in het bijzonder op een jongere op zoek naar een identiteit en een plek, valt immers niet te onderschatten. Verder haalt El Ghabri het ontwikkelen van een sterke strategie tegen online radicalisering aan. Het internet is namelijk een vruchtbare voedingsbodem voor extreem gedachtegoed. Iedereen kan en mag online zijn visie delen. Omdat er geen controle is op het internet, radicaliseren jongeren via die weg dan ook heel snel.

857b8c02-0783-11e4-98e5-4a34f4217cd4_original

Ex-)Syriëstrijders Brian De Mulder en Jejoen Bontinck luisteren op de Antwerpse Meir naar Sharia4Belgium-woordvoerder Fouad Belkacem. Foto: rr

Het is essentieel om de signalen van radicalisering snel op te vangen, zoals toenemende isolatie of indoctrinatie. Op dat moment is het sociaal vangnet van « radicaliserende » persoon van groot belang. In dit verband organiseert de Stad Vilvoorde, koploper wat betreft het aantal Syrië-en Irakstrijders, zogenaamde partnertafels. Jongeren die radicaliseren worden aan tafel samengebracht met ouders, vrienden, leerkrachten, vertrouwenspersonen uit de allochtone gemeenschap of een maatschappelijk werker. Deze community engagement is erop gericht de isolatie te doorbreken door de banden weer aan te halen met de gemeenschap rond de jongere. Op korte termijn zijn informatie- en sensibiliseringsacties eveneens van cruciaal belang. Islamologen, islamconsulenten, imams en Midden-Oostenkenners kunnen een belangrijke rol spelen in het brengen van een degelijk onderbouwd tegenverhaal en nuances inzake de Koran en de hedendaagse betekenis ervan, of rond de situatie in Irak of Syrië.

Hoewel er consensus heerst over bepaalde repressieve maatregelen van onze regering – zoals het  vervolgen van ronselaars en het opdoeken van terroristische organisaties die “online en offline” jongeren rekruteren – leiden andere maatregelen tot meer controverse. Denk maar aan de hetze rond het intrekken van de Belgische nationaliteit van teruggekeerde Syriëstrijders. Dit was één van de twaalf antiterreurmaatregelen die de federale regering bood als antwoord op het verijdeld terreurcomplot in Verviers. In dit verband zou iemand die in Syrië of Irak gaat strijden en toevallig de dubbele nationaliteit heeft, de Belgische nationaliteit kunnen verliezen, terwijl iemand die enkel de Belgische nationaliteit heeft en in Syrië gaat vechten nooit zijn nationaliteit kan verliezen. Een verschil in behandeling van mensen die als Belg geboren zijn levert niet enkel een juridisch probleem op, maar mondde ook uit in een maatschappelijk debat rond discriminatie. We moeten ons ook vragen stellen bij het mogelijke contraproductieve karakter van de maatregel. Waar deze immers bedoeld is als ontrading kan het net munitie geven aan “radicaliserende” jongeren door hen te bevestigen in hun gepercipieerde gevoel van tweederangsburgers. Dit zou op zijn beurt kunnen zorgen voor een ideologische boost en een extra reden om België achter zich te laten en zich aan te sluiten bij IS of Al-Qaeda.

Uit de motivatie, de ideologie en de achtergrond van de Syrië- en Irakstrijders kunnen we veel leren en een aanpak ontwikkelen die vruchten zou kunnen afwerpen. Daarenboven dringt een uitgebalanceerd actieplan zich op waar beleidsmakers en – meer dan ooit – hulpverleners, het onderwijs, het jeugdwerk, de moskee en ook de ouders betrokken zijn. Krachtig ingrijpen waar nodig, maar ook hard inzetten op preventie, sensibilisering en extra onderzoek.